In augustus 2004 reizen we naar Cuba, om zoveel mogelijk van dit land te zien en te proeven, het volk en hun geschiedenis te leren kennen. We hebben zo’n 3.300 km gereden van Havana naar Baracoa het oosten, terug over Havana naar Pinar del Rio in het westen. Na een kleine tien uur vliegen vanuit België aangekomen in de luchthaven van Havana. Je wordt goed onthaald in die kleine luchthaven, iedereen staat tot je dienst en/of je geen wagen wil huren en/of je wel een overnachting hebt anders regelen zij dat wel even voor jou.
De eerste drie nachten blijven we in Havana, een stad die groot genoeg is om de zolen van je schoenen te lopen, een stad die je doet stilstaan bij prachtige oude koloniale gebouwen, die je naar een ver verleden brengt, een stad die je soms verdrietig stemt om wat eens heel mooi was, Op 26/07 wordt de vrijmaking van Cuba herdacht en gevierd en, feesten moet je de Cubanen niet leren. De vanzelfsprekendheid waarmee de Cubaan danst, zingt, hun ongelooflijke ritme, daar kan je alleen maar jaloers op zijn.
Na dit eerste stadsbezoek rijden we via de Baya Cochinos (Varkensbaai) richting Playa Giron waar we een korte zee- en strand-stop houden, voor een nacht. Via Cienfuegos richting Trinidad. Aan elke splitsing vragen we de weg, we hebben nochtans een goeie wegenkaart bij maar je vindt zelden wegwijzers en als er al een pijl is, is die onleesbaar of verroest. We maken een onbeschrijflijk mooie rit, nooit eerder geziene landschappen, tropisch, bergachtig, bananenplantages, mangobomen, de hutjes van de Cubanen zijn hier opgetrokken in hout met rieten daken, soms fel gekleurd. Plots een geïmproviseerd standje waar kinderen vruchten verkopen. Moet je zeker doen want vele van deze vruchten kennen wij hier niet en zijn overheerlijk, zoals een guabana, ziet eruit als een grote peer met stekels, het vruchtvlees is wit, mals en heeft een bananensmaak.
Trinidad is mooi, pittoresk, supergezellig plein waar spontaan gemusiceerd wordt. Volop genieten is de boodschap. De volgende dag brengen we een bezoek aan het Museo Romantico waar we van de koloniale sfeer kunnen proeven. Het inspireert ons om het thuis-interieur weer eens een andere look te geven, het doet ons deugd, al die mooie kunstvoorwerpen en decoraties. Na dit cultuur-snuiven trekken we verder naar Camaguey, hier verkopen ze kaas langs de weg, ze kleven hem haast tegen de voorruit, zo enthousiast zijn de verkopers. Het rijden is steeds erg opletten, hun “autobanen” worden ook gebruikt door fietsers, motors, paard en kar, koetsen. Vele voetgangers langs de baan die flapperen met hun handen en o zo graag een lift willen. In Camaguay krijgen we een tip om toch zeker een dag door te brengen aan de Playa Santa Lucia. We verleggen onze reisroute een beetje en belanden in een paradijs, recht uit de brochure geplukt. Dit is genieten.
Vervolgens ondernemen we een trip van zo’n 300 km richting Santiago de Cuba, De bergpas die we gepland hebben is on-doen-baar, putten, losse stenen, de weg wordt hersteld (?)
De stad is druk, er hangt smog, maar heel levendig, leuke marktjes . We bezoeken de Catedral Metropolitana, de koster neemt ons (gratis) mee voor een bezoekje in de sacristie waar enkele kunstwerken hangen en een replica van het Mariabeeld in El Cobra (bedevaartsoord) en trekt de aandacht op het “Laatste Avondmaal”, uitgebeiteld in het marmeren altaar. Ook het Museo Bacardi is een bezoek waard. We genieten vanop ons balkonnetje van muzikanten die oefenen om straks het beste van ’t beste te kunnen weergeven voor de toeristen. Na drie dagen stad verlangen we weer naar ’t platteland en rijden langs Guantanamo naar Baracoa. Op sommige plaatsen vinden we oases, dan weer zitten we in de bergen, poederdroog, woestijnachtig. Langs de weg genieten we van overheerlijke kleine bananen die door kinderen te koop aangeboden worden.
We belanden in Playa de Baèz (Villa Maguana) dit is het aller-aller-mooiste paradijsje ooit. We zitten er alleen. Van Baracoa via Moa rijden we ’s anderendaags naar Holguin, houden weer een stop om om Playa Coco te vertoeven. Om dit strand te kunnen bereiken rijd je over een 20km lange dijk, recht in zee.
Van Moron naar Remedios loopt onze tocht verder naar Santa Clara. Dit is de stad waar Che Quevara de trein, vol munitie, op weg naar Havana, overviel en waar de revolutie uitbrak. We bezoeken de openluchttentoonstelling met “El Tren Blindado” waar de gids zijn uiterste best doet om ons alles duidelijk te maken. De geschiedenis leeft hier.
We trekken verder naar Matanzas, ’s avonds wordt hier Carnaval gevierd in de straten, het ritme, de dans, troms en schel gefluit doet heel Afrikaans aan. Bij het einde van hun tocht door de straten krijgt de stoet, aan de overkant ons logement, te eten en te drinken van een bewoner. Het nachtlawaai wordt hier afgelost door het ochtendverkeer…
Hop, wagen in, over Havana rijden we naar Pinar del Rio. Bij een stop in Havana lijkt het alsof we in deze stad “thuis” komen en dat geeft ons ‘n goed gevoel. Pinar del Rio (Vinales) heeft een heel typisch landschap. Vreemde uitstulpingen, pijlers van kalksteen die men “Mogotes” noemt, zeer groen, een weelderige plantengroei. Hier leeft de Cubaan weer in alle rust. Voor hun hutjes staat minstens één schommelstoel waar ze eindeloos hun eigen ritme “schommelen”, liefst met een eigenhandig gerolde sigaar. Na drie weken nemen we afscheid van dit erg boeiend, prachtig land. Een reis die ons bijblijft, veel heeft geleerd, rijker heeft gemaakt, dankbaar maakt dit te mogen beleven.
Annemie
14/04/05





|